PORTRET
(Dutch only)

Dit portret, destijds geautoriseerd door Simeon ten Holt, is gebaseerd op diverse gesprekken met de componist in de jaren negentig in Bergen NH. / © Bert Koopman.

Simeon ten Holt: ‘Als componist ben ik dienstbaar aan het scheppingsproces’

Een neiging tot het autobiografische is Simeon ten Holt nimmer vreemd geweest. Hij hield meer dan veertig jaar een dagboek bij. En aan de hand daarvan verschenen in 2009 zijn memoires. Deze webtekst, gebaseerd op vele gesprekken met de componist, biedt een schematisch overzicht van zijn ontwikkelingsgang als scheppend kunstenaar.

De eigenzinnige componist Simeon ten Holt verraste eind jaren zeventig vriend en vijand door twee gezichten te laten zien. Kort na elkaar klonken twee sleutelwerken uit zijn dan nog vrij onbekende oeuvre: het abstracte, voor een ongeoefend publiek moeilijk toegankelijke ..A/.talon en het meditatieve, welluidende Canto Ostinato dat direct weerklank vond.

..A/.talon, geschreven voor mezzosopraan en 36 spelende en sprekende instrumentalisten is rationeel geconstrueerde muziek, geschreven met als uitgangspunt het systematisch op elkaar afstemmen en in evenwicht houden van muzikale elementen zoals toonhoogte, ritme, geluidsterkte en klankkleur. Muziek afkomstig van achter van de tekentafel.

Canto Ostinato (‘koppig gezang’) is getoonzet voor toetsinstrumenten. De compositie, bij voorkeur uitgevoerd door twee of vier pianisten (soms door andere instrumentalisten), verkent speelt het gebied tussen genoteerde en geïmproviseerde muziek. In dit half open scenario is de herhalingsprocedure van de muzikale secties dominant en kiezen musici hun eigen parcours.

Maar zoals Kierkegaard het treffend formuleerde: ‘Het leven wordt voorwaarts geleefd doch achterwaarts begrepen.’ Achteraf bezien was niet zozeer sprake van een cesuur in Ten Holts ontwikkeling als componist. Ten Holt: ‘Er was eerder een geleidelijke muzikale ontwikkeling. Tussen het ontstaan van beide composities zat een tijdspanne van tien jaar.’

Kenmerkend voor zijn opvattingen over het componeren is een thema dat hem sinds de jaren vijftig permanent bezighield: Over het doen en gedaan hebben. Dit thema impliceert dat de creatieve handeling – het doen – pas inhoud krijgt, en dus wezenlijk wordt, wanneer die handeling al gedaan is. Het doen is dan de bevestiging is van wat gedaan is.

Canto Ostinato is zo ontstaan. De creatieve handeling daartoe werd geleid door een richtsnoer dat het accent niet zozeer legde op de wil van de componist, maar op de wil van de compositie in bewerking. Een gerichtheid die de rol van de maker dienstbaar en ondergeschikt maakt aan het werkproces – een werkproces met als het ware een eigen besluitvorming.

Ten Holt: ‘In mijn creatieve leven heb ik altijd de indruk gehad gestuurd te worden door beslissingen die zich onderscheidden van mijn eigen wil of wensen, ofschoon die natuurlijk niet helemaal genegeerd zullen zijn. Vergelijk het met kiezen en gekozen worden: kiezen kun je bijvoorbeeld als muziekliefhebber, gekozen worden kan alleen door het lot.’

Preoccupaties

Bij de ontwikkelingsgang van Simeon ten Holt als componist speelden nog andere preoccupaties een sleutelrol. Zo werd hij zijn leven lang gefascineerd door de ontwikkeling van het tooncentrum: de betrekkingen tussen de akkoorden van een compositie en de hoofdklank. Dit tooncentrum was eeuwenlang het fundament van de Westerse muziek.

In de negentiende eeuw, toen de belangstelling voor de klankkleur toenam, werden de wortels van het tooncentrum losgewoeld. Vaste ankerpunten verdwenen, akkoorden verloren hun onderlinge aantrekkingskracht en hadden niet langer betrekking op één tooncentrum, maar op elkaar. In de twintigste eeuw ontstond een ‘atonale’ muziek.

Na 1945 bereikte het tooncentrum een finaal stadium met het componeren van seriële muziek, waarbij een of meer elementen (toonhoogte, ritme, geluidsterkte, et cetera) werden bepaald door vooraf opgestelde rekenkundige reeksen. Het oor van de ongeoefende luisteraar was niet langer in staat om muzikale samenhang waar te nemen.

Naast het tooncentrum vormden tijd en ruimte een preoccupatie van Ten Holt. Hij beschouwde de tijd van de klok en de ruimte van meetlat als bedrieglijke schijn. In latere composities spelen beide een mysterieus spel met elkaar. Ten Holt: ‘Tijd wordt ruimte waarin de klankfiguur gaat zweven en zoekt naar de beste positie ten opzichte van het licht.’

Wat betekende dit nu voor de uitvoeringspraktijk van zijn muziek? In Ten Holts latere composities is veelal sprake van werk in uitvoering. Onder musici worden de taken verdeeld en afgewisseld. Het repetitieve karakter biedt hen ruimte om zelfstandig te beslissen inzake het aantal herhalingen, het combineren van muzikale lagen, de dynamiek en de speelwijze.

De componist lijkt zijn gehoor met zijn muziek te willen hypnotiseren (to mesmerize), zoals een Amerikaans muziekcriticus schreef. Het klinkend resultaat lijkt inderdaad bij menig toehoorder een luisterervaring teweeg te brengen waarbij factoren als de werking van het geheugen of de neiging tot logische schikking als het ware worden opgeheven.

Zoektocht
Simeon ten Holt studeerde aanvankelijk piano en muziektheorie bij Jacob van Domselaer in zijn geboorteplaats Bergen (NH). Later volgde hij in Parijs compositielessen bij Arthur Honneger en Darius Milhaud. De jonge Ten Holt verbleef in deze culturele hoofdstad in de tijd van Cobra, maar van enig contact met deze kunstenaarskolonie was geen sprake.

Aanvankelijk was Ten Holt als scheppend kunstenaar een onbeschreven blad. Zijn eerste composities getuigen daarvan. Ze werden geschreven met de stift der historie en verraden invloeden van zijn Bergense leermeester Van Domselaer alsook van buitenlandse componisten, onder wie Béla Bartók en Leoš Janáček.

In 1952 keerde Ten Holt terug naar Bergen en vestigde zich in een tot studio verbouwde bunker op het erf van een boer. Daar experimenteerde hij met de ‘diagonaalgedachte’, een componeersysteem waarbij hij gelijktijdig complementaire toonsoorten gebruikte in zijn poging greep te krijgen op tonaliteit en atonaliteit. Diagonaalmuziek voor strijkers (1958) en de Diagonaalsuite voor piano (1958) getuigen daarvan.
Gedurende een surrealistisch intermezzo ontstonden composities met bizarre titels als Soloduivelsdans I (1959) en Cyclus aan de waanzin (1961-1962). Ze refereren aan een fantasierijke droomwereld. Voor de componist ging het vooral om een verschuiving in de werkelijkheidsbeleving (‘2+2+5 in plaats van 2+2+4’).

Daarna volgde een doorbraak naar de avant-garde. De modernist Ten Holt keerde zijn piano de rug toe en verklaarde de tonaliteit dood. Tradities werd overboord gegooid. Ten Holt: ‘Componeren werd tafelwerk, louter het schikken van wiskundige reeksen. Er was sprake van een pseudocreatief proces dat zich voltrok in een soort heden zonder verleden.’

Deze fase bereikte een culminatiepunt met de reeds genoemde compositie ..A/talon (1967/68). Dit werk reisde tien jaar later als een muziektheatraal project door Nederland en Duitsland, in combinatie met Passagio voor sopraan, twee acteurs dubbelkoor en orkest van de vooraanstaande Italiaanse componist en tijdgenoot Luciano Berio (1925-2003).

In het begin van de jaren zeventig vertoonde de muziek van Ten Holt een hoge mate van abstractie. Aan het Instituut voor Sonologie in Utrecht en in zijn eigen studio bestudeerde hij de fysica van het geluid. Hij verkende het element klankkleur in het gebied tussen toon en ruis. Melodieën leken voorgoed verdwenen.

Aan het instituut voor Sonologie in Utrecht concipieerde hij Inferno I en II (1971/73) alsook I am Sylvia but somebody else (1975) en voerde computerproeven uit voor Centri-fuga (1976-1979) alsook Une musique blanche (1980-1982) – twee delen van een onvoltooide trilogie voor orkest. Maar thuis in Bergen lonkte de terugkeer naar de tonaliteit.

Beslissende fase
In de tweede helft van de jaren zeventig was dus sprake van een cruciale fase in het creatieve proces. De piano keerde terug in zijn leven evenals de tonaliteit. Ten Holt: ‘Er was sprake van een nieuwe tonaliteit, een waarover de vriesnacht van het serialisme was gegaan.’ Het was in deze beslissende fase waarin Ten Holt Canto Ostinato (1976/79) componeerde, zijn bekendste compositie.

Na Canto Ostinato volgden andere avondvullende werken die hem een internationale reputatie verschaften, waaronder Lemniscaat (1983), Horizon (1985), Incantatie IV (1990), Palimpsest (1992), Schaduw noch Prooi (1993/95) en Méandres (1995/97). Deze werken kennen één constante: Ten Holt levert de ‘chemicaliën’ waarna de musici een ‘reactie’ ontketenen en het publiek in vervoering brengen.

Zo kan het tijdens een uitvoering gebeuren dat niet genoteerde klanken zich verrassend aandienen. Ten Holt – de traditionalist, de surrealist, de modernist, de serialist, de sonoloog en de minimalist – ontwikkelde in het voetspoor van de Westerse muziek van de twintigste eeuw zijn eigen signatuur en raakte daarmee een gevoelige snaar bij een internationaal publiek.